CATACLYSM

Europa Still Life door ROA

ROA - Europa Still Life

ROA - Cataclysm

Ineens was er de mens. We zitten ermee. En snappen doen we niet altijd. De overgang van dier op mens. Wanneer is die (ook weer) ontstaan? Was er wel sprake van een overgang? Aangenomen dat de Afrikaanse olifantspitsmuis - ook wel springspitsmuis of in de volksmond kortweg ‘snuiter’ genoemd -  het enige dier was dat na het uitsterven van de dinosaurus is blijven leven, kunnen we niet anders dan aannemen dat de mens hier verder uit is ‘geworden’. De mens als sluitstuk van de evolutie. Roa, geboren in Gent, wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke hedendaagse ‘mural artists’. Op korte tijd weet hij zich wereldwijd te betogen. Zijn aangeboren en specifieke stijl - zwart-wit schilderingen van bedreigde en/of vergane diersoorten - valt meteen in het oog van de passant. De natuur, zo benadrukt hij, is een wonderlijke web van organisch leven, een natuurlijk geheel dat bezield is en bewogen wordt door gezamenlijke krachten. Zijn visie op de aarde als een netwerk van instigerende wezens die onderling onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, is niet louter een fantastisch idee, maar realiteit. In de 19de eeuw kwamen geologen tot de ontdekking dat de aarde miljoenen jaren ouder was dan de zesduizend jaar die de Bijbel leek te suggereren. In die miljoenen jaren waren veel soorten uitgestorven. De natuur was/is bijzonder wreed, zo concludeerde bioloog Charles Darwin in The Origin of Species: ‘Elke soort wordt voortdurend bedreigd door vernietiging, vooral de jonge dieren lijden…’ Cataclysm is een verwijzing naar de oorsprong van de dingen, het voort-durende ontstaan en vergaan van levende soorten - de zogenaamde ‘circle of life’, en de eindeloze strijd om het leven te overleven.

Een galerieruimte als een aardglobe, waarin Roa zijn denkmodellen onder de loep neemt, transparant in kaart brengt, communiceerbaar maakt – de met uitsterven bedreigde diersoorten van (bijna) alle werelddelen brengt hij hier tot leven. In deze biotoop herschept hij. Sluipend, behoedzaam, vertrouwend op zijn instinct. Het heeft iets beestachtigs, hoe hij zijn omgeving observeert, afweegt en aftast. Totale overgave vindt plaats op het canvas, tussen hem en het andere wezen dat stilaan vorm krijgt, als een tweede adem. De aap en de snuiter - een referentie naar de oorsprong en de evolutie van de mens - hebben zich ‘geschikt’ naar de grenzen binnen het canvaskader. De aap kijkt dweperig voor zich uit, neemt een berustende pose aan. De ‘overlevende’ snuiter lijkt zich een comfortabele houding te hebben aangemeten, een lichtelijk geamuseerde blik - een binnenpretje? Deze bodembewoner is het allicht langer gewend om zich een weg te banen door het onderhout, dat in noodgevallen als vluchtweg kan dienen… De hinde (Noord-Amerika) lijkt letterlijk in het decor te vallen - binnen de omlijsting tracht ze haar kompanen, de wasbeer en het stinkdier, van ondersteun te dienen. De kangoeroe (Australië) lijkt dan weer evenwicht te vinden, leunend op zijn krachtig gespierde staart, als een derde been, om zijn ‘val’ in het tableau te verzachten. Het everzwijn (Europa) daarentegen, lijkt zich van geen kwaad bewust, snuffelt ongestoord verder, niets vermoedend dat de vos en de haas zich zelf op zijn rug hebben genesteld…  

Je kan niet uit je huid stappen. Dat is niet verwijtbaar. Roa doet het wel. In vorm gelijkend op de mens, onderhuids neemt hij de antropomorfe gedaante over van het andere levende wezen. Niet de mens, maar het dier beschouwt hij als centraal entiteit, de meest betekenisvolle van het universum. Als grote natuurvorser omarmt hij de idee van het dier als enige mogelijke ‘survivor’ - dat alles in chaos begint en in chaos eindigt (cataclysm), is voor hem de natuurlijke staat der dingen. Soms vragen we naar het wezen van de kunst, of de kunst in ons historisch bestaan al dan niet een oorsprong is, of onder welke voorwaarde ze dat kan zijn. Roa stelt dat kunst hetzelfde gevoel van verbijstering in de mens wekt als de wilde ongereptheid van de natuur. De geest wordt zo geheel vervuld door het beeld, dat we voor al het overige even geen aandacht hebben. Een soort van extatisch controleverlies dat ons toelaat in de beleving te stappen, waardoor ons kritisch vermogen, eigen aan de mens, aanzienlijk wordt opgeschort, plaats maakt voor empathie. “Verkenning in de natuur, meer bepaald – in de dierenwereld, kan tot meer empathie leiden. Het leert je iets wezenlijks over goed leven als mens…”  

 

De kunstenaar zoekt zijn houten canvassen zorgvuldig uit. Het volstaat niet dat het gerecycleerde hout een bepaalde structuur, nerf of patine vertoont. Ook hier lijken verleden en toekomst aan elkaar gelieerd – religie en wetenschap treffen elkaar, als twee windmolens in elkaars wieken… Het Europese tableau (everzwijn, vos, haas), draagt samen met de tableaus die Zuid-Amerika (reuzegordeldier, snuitbeer), Afrika (aardvarken, honingdas, fennek vos) en Australië (kangoeroe) kentekenen, de heilige sporen van knielende, biddende mensen. Een 18de-eeuwse Bretoense kerkvloer, afkomstig uit een abdij in Rennes, vormt de achtergrond voor deze taferelen. Niet enkel de met uitsterven bedreigde diersoorten, ook het hout wordt hiermee een tweede leven beschoren - wellicht opgelucht om na ruim tweehonderd jaar ontdaan te zijn van de geïmpregneerde nagalmen van koorgezangen en hemelhoge preken… Het hele oeuvre opent zich als een boek, schijnt zich te laten lezen als een Genesisverhaal over het Goede en het Kwade. Luikjes met scharnieren aan het paneel bevestigd, geven het werk een kabinet-vorm. Achter het luikje, een anatomische schets en/of skeletafdruk van het bedreigde (of reeds vergane) diersoort, waarmee de kunstenaar doelt op de kwetsbaarheid en de vergankelijkheid van het leven, het luik als schaamschot tussen leven en dood.

Met de diorama belanden we werkelijk ‘in’ het decor. Hier spat de devotie van de kunstenaar ervan af - een lofdicht voor de uitstervende olifant en de neushoorn en niet minder, voor de bedreigde giraf. Even lijkt het of de ziel van de olifant zijn eigen geraamte draagt, meesleept of voortduwt in de richting van een nieuw begin, ergens. Ook de neushoorn lijkt zich met zijn gebeente wanhopig vast te klampen aan een eindeloos bestaan. De giraf neemt ogenschijnlijk een foetushouding aan, als wilde hij niet liever dan opnieuw geboren worden, ooit, in de kringloop des levens. De toeschouwer kan er niet (meer) omheen. In deze stijlkamer van de eeuwige vernieuwing wordt hij geconfronteerd en bewust gemaakt, in de eerste plaats met zichzelf. En ofschoon de hele expositie om de dierenwereld draait, in wezen gaat het hier over de mens. Hier groeit het verlangen terug te keren naar de oerbron - de wilde natuur opnieuw vereren als bron van helende kracht en extase, van kalmte en sereniteit - een hof van Eden. Een houding die steeds meer een leidend motief moet worden in onze moderne ecologische beweging. Zo ervaren we de uniciteit van het oeuvre van Roa: als de geboorte van een nieuwe Romantiek, ontstaan uit een nostalgisch verlangen om terug te gaan naar de oorsprong van de dingen.

Kathy de Nève, At The Gallery, oktober ‘17